Het komt allemaal goed

Drie jaar geleden zijn wij via het Oranjefonds in aanraking gekomen met onze Somaligirl. Zij was toen nog maar een klein jaar in Nederland aangekomen als minderjarige asielzoekster zonder verdere nabije familie. Inmiddels hebben wij elkaar benoemd als hulpmoeders en pleegdochter. Het is een relatie die ik elke asielzoeker gun en die ieders leven verrijkt. Maar daarover gaat deze blog niet.

Somaligirl heeft in juni 2014 haar MBO-1 diploma gehaald, weliswaar met een 1 voor rekenen en ook haar Nederlands is nog niet optimaal, maar door haar enorme doorzettingsvermogen, inzet en leerbaarheid heeft ze het diploma behaald. Via haar stage in een wijkleerbedrijf heeft zij een baantje voor in de weekenden en zo langzamerhand begint zij te begrijpen hoe het werkt in Nederland.

Nu zit zij in het eerste jaar van de MBO opleiding zorg en welzijn (niveau 2). Zij is sociaal sterk en kan goed omgaan met oude mensen dus een goede opleiding voor haar. Zij loopt nu twee dagen in de week stage in een setting voor kleinschalige zorg. Al twee maanden lang staat zij heel gemotiveerd om 6.00 uur op om altijd op tijd en aanwezig te zijn op die stage. Zij weet dat ze nog veel moet leren, dat zij onze werkcultuur nog niet helemaal snapt en dat zij daarom veel moet vragen. Haar vaste werkbegeleider heeft helaas te kampen met priveproblemen en ziekte en is vaak afwezig op de dagen dat Somaligirl stageloopt. Er is daardoor geen vaste aanspreekfiguur die de tijd neemt om elke week met haar te zitten, de week voor te bereiden / na te bespreken. Ik weet het, de werkdruk in de ouderenzorg is groot. Afgelopen week was de tussenevaluatie in een driegesprek met school. Trots liet zij voorafgaand aan dit gesprek haar praktijkbeoordeling aan ons zien, ingevuld door collega’s van haar vaste werkbegeleider. Een goed voor aanwezigheid, een matig voor initiatief tonen en verder veel voldoendes. Mooi resultaat na 2 maanden stage.

Wat gebeurde er echter in het driegesprek? De vaste werkbegeleider was er weer en tijdens het gesprek streepte zij alle voldoendes door en maakte er “matig” van, vergezeld door de feedback: als je zo doorgaat zul je zeker een onvoldoende halen. Somaligirl toonde te weinig initiatief, had geen goede werkhouding, zag geen werk liggen en bleef met een mevrouw na het ontbijt aan tafel de krant lezen in plaats van te helpen afruimen.

’s Avonds paniek in de tent, vreselijk huilen, zorgen om de onvoldoende die boven haar hoofd hangt en het onbegrip dat voldoendes zonder overleg zomaar omgezet kunnen worden in een matig. Het kostte heel wat uitleg en ondersteuning om haar uit de kreukels te halen en weer in een positieve leerhouding te krijgen. Wat haar het meeste raakte was de opmerking over de dreigende onvoldoende; “waarom zegt zij niet: het gaat nog niet goed maar ik ga je helpen om alles te leren”? Onze Somaligirl heeft ook als belangrijke zin voor zichzelf: “het komt allemaal goed”. Een zinnetje dat ze herhaalt als het tegen zit of als ze  zich naar voelt en wat ze van haar moeder heeft geleerd.

Ik heb uiteindelijk met haar afgesproken dat zij voortaan uit zichzelf elke stagedag om feedback vraagt en dat zij nog vaker vraagt of dat wat ze doet goed genoeg is. En gelukkig is zij zo gemotiveerd dat dit haar ook lukt! Heel trots appte ze de volgende dag deze foto:



 

Ik vertel dit verhaal niet om te zeuren over de begeleiding van onze Somaligirl. Ik ken ook de situatie in de ouderenzorg en weet ook hoe minimaal de uren vanuit het MBO zijn om stagiaires vaker te bezoeken en de voortgang te monitoren.

Ik ben wel op zoek naar hoe de stagebegeleiding anders en beter kan. Hoe kunnen MBO en leerbedrijven daarin meer samen optrekken, zich gezamenlijk verbinden aan de stagiaires en hun leerweg en hoe samenwerken aan de kwaliteit van de toekomstige collega’s? Ik geloof erg in verbinding; als je als begeleiders de studenten goed kent weet je ook samen wat de beste leerplek is voor de studenten en kun je hen optimaal het vak laten leren.

In Rotterdam ondersteun ik twee experimenten met Zadkine en Albeda waarin vijf organisaties voor kinderopvang zich, voor de duur van de opleiding pedagogisch werk, verbinden aan een klas pedagogisch werkers. We noemen dit satellieten; een satelliet rond een klas van Zadkine, met KindeRdam als grote trekker en een satelliet rond een klas van Albeda met Un1ek als grote trekker. De studenten zijn als het ware de kweekvijver voor de satelliet, zij lopen gedurende de hele opleiding stage binnen zoveel mogelijk deelnemende organisaties.  De klas reflecteert elke week in een bijeenkomst van drie uur met twee mentoren: één vanuit school en de praktijkbegeleider vanuit de grote organisatie.

Zij bespreken de stage-ervaringen, ondersteunen de reflecties met passende theorie en instructie en bereiden de stageopdrachten voor de komende week voor. De stagiaires leren zo o.a. om op de werkplek initiatief te tonen en aan de collega’s uit te leggen wat voor hen de komende week van belang is. De werkbegeleiders worden zo ontlast, maar de verbinding tussen theorie en praktijk wordt vergroot! Er zijn korte lijnen tussen alle werkbegeleiders en mentoren, zij verbinden zich echt aan elkaar en aan de lesgroep. We gaan in deze experimenten vast nog veel tegenkomen, maar de verbinding is gelegd.

Wat zou er gebeuren als alle opleidingen gaan werken in dergelijke satellieten of vergelijkbare kleinschalige samenwerkingsverbanden als de wijkleerbedrijven? Niet als leerbedrijf overal en ergens stagiaires vandaag halen, maar juist intensief onderwijs en een klein werkveld aan elkaar verbinden. Zoveel als een klas nodig heeft. Samenwerken in een kleiner verband dat elkaar goed kent zodat de juiste matches gemaakt kunnen worden en de kwaliteit van opleiden en begeleiden verbetert.  Dat gun je toch iedereen! 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.